Google
Showing posts with label Basic Exam in Netherlands. Show all posts
Showing posts with label Basic Exam in Netherlands. Show all posts

Thursday, November 6, 2008

is the Civic exam in Netherlands still required?

A friend told me that the Civic Exam in Netherlands is no longer required next year. It's a good news for all the new couples out there. For me, that would be great too, because when you arrived here in holland, you are required to take a dutch language course for 1 or 2 years, depending in your ability to catch up.

I read one article in IND website about this issue.


"On 15 July 2008, Amsterdam District Court ruled that a Moroccan woman who wishes to live with her husband in the Netherlands will not be required to first pass the civic integration examination in her country of origin. According to the judge, there is no basis for this requirement in the Aliens Act 2000.The State Secretary of Justice has appealed the court's decision.In the meantime, the current policy remains unchanged and the requirement to pass the civic integration examination abroad in order to obtain a provisional residence permit for family reunification still applies.We will of course keep you informed in the event of any changes in this regard."

Hopefully it will change next year.

Monday, August 18, 2008

List of Opposites (tegenstelligen) 2

Here are another list of opposites you need to study and memorize.

zelfstandige naamwoorden

1. achternaam – voornaam
2. alles – niets
3. arm - been
4. begin - einde
5. binnenkant – buitenkant
6. binnenland – buitenland
7. broer – zus8. dag – nacht
9. dames - heren
10. dood – leven
11. dorp – stad
12. geluk – ongeluk
13. hand – voet
14. honger – dorst
15. iemand – niemand
16. iets – niets
17. ingang – uitgang
18. kind – volwassene
19. lawaai – stilte
20. lengte – breedte
21. liefde - haat
22. man – vrouw
23. meneer - mevrouw
24. nacht – dag
25. neef – nicht
26. ochtend – avond
27. onderkant – bovenkant
28. oom – tante
29. oorlog – vrede
30. opa – oma
31. optimist – pessimist
32. ouders - kinderen
33. overwinning – nederlaag
34. succes - mislukking
35. voordeel – nadeel
36. voorjaar – najaar
37. voorkant – achterkant
38. vraag – antwoord
39. vriend – vijand
40. winst – verlies
41. winter - zomer
42. zon – maan
43. zon – schaduw
44. zonsopgang – zonsondergang
45. werkwoorden
46. aandoen – uitdoen****
47. aankleden – uitkleden
48. beginnen – stoppen
49. bekennen – ontkennen
50. branden – blussen*****
51. delen – vermenigvuldigen
52. drijven – zinken
53. eten – drinken
54. geven – krijgen
55. groeien – krimpen
56. inladen – uitladen
57. inpakken – uitpakken
58. komen - gaan
59. kopen – verkopen
60. leven – sterven
61. lukken – mislukken
62. onthouden - vergeten
63. openen – sluiten
64. optellen – aftrekken****
65. praten – zwijgen
66. slagen – zakken****
67. slapen – wakker zijn
68. staan – zitten
69. stijgen - dalen
70. stoppen – doorgaan
71. trouwen - scheiden
72. uitdoen - aandoen
73. vergeten – herinneren
74. verhogen – verlagen
75. verschijnen – verdwijnen
76. vinden – verliezen
77. vriezen – dooien
78. winnen – verliezen
79. zitten – staan

voorzetsels
1. aan - uit
2. achter – voor
3. binnen – buiten
4. boven – beneden
5. boven - onder
6. dichtbij – veraf
7. in – uit
8. op – af
9. op – onder
10. op – in
11. voor - na

The list of Opposites (tegenstellingen) 1

In the Part 2 of the Exam (Language Part) there are questions about the opposites. For all the examinies, please print this and memorize it. This list helped me a lot. This is where i got points.


lijst tegenstellingen (list of Opposites)

1. aangenaam – onaangenaam
2. aanwezig – afwezig
3. aardig – onaardig
4. actief – passief
5. altijd – nooit
6. andere – dezelfde
7. arm – rijk
8. bang – dapper
9. bekend – onbekend
10. beleefd – onbeleefd
11. beter – slechter
12. bewust – onbewust
13. bijna – helemaal
14. bijzonder – gewoon
15. binnen – buiten
16. blij – bedroefd
17. blij – bedroefd
18. bol – hol
19. bot – scherp
20. boven – beneden
21. breed – smal
22. daarna – daarvoor
23. dag – nacht
24. dapper – laf
25. dicht – open
26. dichtbij – veraf
27. diep – ondiep
28. dik – dun
29. dit – dat
30. donker – licht
31. droog – nat
32. druk – stil
33. duur – goedkoop
34. echt – onecht
35. eenvoudig – ingewikkeld
36. eerlijk – oneerlijk
37. eerste – laatste
38. ergens – nergens
39. even – oneven
40. expres – per ongeluk
41. fijn – grof
42. gebruikt - ongebruikt
43. geduldig – ongeduldig
44. gekreukeld – gestreken
45. gelijk – ongelijk
46. geschikt – ongeschikt
47. gewoon – ongewoon
48. gezond – ongezond
49. gierig – gul
50. glad – stroef
51. glanzend – dof
52. goed – fout
53. goed – slecht
54. goedkoop – duur
55. groot – klein
56. haat – liefde
57. half – heel
58. handig – onhandig
59. hard – zacht
60. heel – stuk
61. heen - terug
62. heet – koud
63. helder – troebel
64. hier – daar
65. hierna – hiervoor
66. hoog – laag
67. horizontaal – verticaal
68. houden van – haten
69. iets – niets
70. interessant – saai
71. ja - nee
72. jong – oud7
3. juist – onjuist
74. kapot - heel
75. klein – groot
76. knap – dom
77. kort - lang
78. koud – warm
79. laag – hoog
80. langzaam – snel
81. later – vroeger
82. leeg – vol
83. lekker – vies
84. lelijk – mooi
85. leuk – vervelend
86. levend – dood
87. licht – donker
88. licht – zwaar
89. links - rechts
90. los – vast
91. lui – ijverig
92. makkelijk – moeilijk
93. mals – taai
94. mannelijk – vrouwelijk
95. maximaal – minimaal
96. meer – minder
97. meest – minst
98. min – plus
99. modern – ouderwets
100. moeilijk – makkelijk
101. mogelijk – onmogelijk
102. mooi – lelijk
103. nacht – dag
104. nat – droog
105. netjes – rommelig
106. niet – wel
107. nieuw – oud
108. nodig – onnodig
109. nooit – altijd
110. noord – zuid
111. normaal – abnormaal
112. nu - later
113. nu – straks
114. nuttig – nutteloos
115. omhoog – omlaag
116. oost – west
117. op tijd – te laat
118. open – dicht
119. openbaar – privĂ©
120. opgeblazen – leeggelopen
121. oud – jong
122. oud – nieuw
123. overdag – 's nachts
124. plus – min
125. precies – ongeveer
126. raak – mis
127. recht – krom
128. recht – schuin
129. rond – vierkant
130. samen – alleen
131. schaars – overvloedig
132. scherp – bot
133. schoon – vuil
134. schuldig – onschuldig
135. slap – stijf
136. slim – dom
137. slordig – netjes
138. smakelijk – onsmakelijk
139. smal – breed
140. soms – altijd
141. sterk – zwak
142. stout – lief
143. strak – los
144. tam – wild
145. toekomst – verleden
146. vandaag – morgen
147. veel – weinig
148. verdrietig – blij
149. verleden – toekomst
150. vers – bedorven
151. verstandig – onverstandig
152. vet – mager
153. vlug – langzaam
154. vol – leeg
155. voor – tegen
156. voorzichtig – onvoorzichtig
157. vorige – volgende
158. vriendelijk – onvriendelijk
159. vroeg – laat
160. vroeger – later
161. vuil – schoon
162. waarschijnlijk – onwaarschijnlijk*****
163. warm - koud
164. weinig – veel
165. wijd – nauw
166. wijs – onwijs
167. zacht – hard
168. zeker – onzeker
169. zichtbaar – onzichtbaar
170. ziek – gezond
171. zoet – zuur
172. zon – maandag
173. zwaar – licht
174. zwak – krachtig

there are more lists of opposites in my next pose.

Thursday, August 14, 2008

Basisexamen Inburgering (Basic Exam in Netherlands)

Below is a sample exam a friend recorded and sent to me.
You will hear this exactly on the the real exam, but the questions are different. I know how it feels about the exam, i had that worriness and feeling before too. So i am sharing this to all of you.
Hope you can use this to study and make it possible to pass this exam.
Don't worry too much, just believe in yourself.
I've made it, i'm sure you can make it too!!!
Goodluck!


Welkom bij het oefenexamen Nederlandse taal (welcome to the practiceexam Dutch language)

Deel A - Nazeggen (part A - repeat)
U hoort steeds een zin, zeg de zin precies na. (you hear every time asentence, repeat the sentence exactly)
bijvoorbeeld, (for example)
de stem zegt: 'Dat is een mooi verhaal' (a voice says: 'this is a nice story')
en u zegt: 'Dat is een mooi verhaal' (and you say:'this is a nice story)

Nu is het uw beurt (now its your turn)
Luister naar de zin en zeg precies na wat u hoorde (listen to thesentence and repeat exactly what you heard)

- dat kan wel kloppen (this could be true)
- Het is niet helemaal gegaan zoals we het verwacht hadden. (it didnt go exctly the way we had expected)
- Dat was een pijnlijke vergissing (this was a painful mistake)
- Als we tenminste op tijd zijn. (if we are at least on time)
- Ik weet niet hoe dat kon gebeuren. (i dont know how this could happen)
- Hij gaat ieder weekend vissen. (he goes every weekend fishing)
- Hij moet het wat rustiger aan gaan doen. (he has to slow down a bit)


Deel B - Vragen (part B - questions)
U hoort steeds een korte vraag, geef op elke vraag een kort antwoord.(you hear every time a short question, give to each question a shortanswer)

Bijvoorbeeld, (for example)

Een stem zegt: 'Is januari een dag of een maand ?' (a voice says:'isjanuary a day or a month?")
en u zegt: 'maand' (and you say: 'month')

Nu is het uw beurt (now its your turn)

Luister naar de vraag en geef dan antwoord. (listen to the questionand give an answer)

- Is een auto om in te rijden of om in te koken ? (is a car to drivein or to cook in?)
- Wat kun je doen met een mes ? (what can you do with a knife?)
- Is een kerk een gebouw of een poort ? (is a church a building or a port?)
- Hoe noem je iemand die niets kan horen ? (how do you call somebodywho cant hear?)
- Als je een groot gezin hebt, heb je dan veel of weinig kinderen ?(if you have a big family, do you have a lot or a few children?)
- Wie woont er op een boerderij ? (who lives in a farm?)
- Hoe noem je het gebouw waar kinderen les krijgen ? (how do you callthe building where children get lesson?)
- Als iets ingewikkeld is, is het dan makkelijk of moeilijk ? (ifsomething is complicated, is it easy or difficult?)

Deel C - Nazeggen (part C - repeat)

U hoort weer zinnen, zeg elke zin weer precies na. (you hear againsentences, repeat again every sentence exactly)

bijvoorbeeld, (for example)

de stem zegt: 'Dat is een mooi verhaal' (the voice says: 'this is anice story')
en u zegt: 'Dat is een mooi verhaal' (and you say: 'this is a nice
story')

Nu is het uw beurt (now its your turn)
Luister naar de zin en zeg precies na wat u hoorde (listen to thesentence and repeat exactly what you heard)

- Ik moet een nieuwe bril. (i need new glasses)
- Dat kun je op je vingers natellen. (you can count it on your fingers)
- De aardappels zijn op. (the potatoes are finished)
- Heb je een pen bij je ? (do you have a pen with you?)
- Wie is er aan de beurt? (whos turn is it?)
- Dat kan iedereen wel zeggen. (anybody can say that)
- we zien geen oplossing voor uw probleem. (we dont see a solution foryour problem)

Deel D - Tegenstellingen (part D - oposites)

U hoort steeds een woord, u zegt het tegenovergestelde. (you hearevery time a word, you say the oposite)
bijvoorbeeld, (for example)
u hoort: hoog, dan zegt u: laag. (you hear: high, then you say: low)

Nu is het uw beurt (now its your turn)

Luister naar het woord en zeg het tegengestelde woord (listen to theword and say the oposite word)
- arm (poor)
- laatste (last)
- gister (yesterday)
- liefde (love)
- vader (father)
- erna (after that)

Deel E - verhalen navertellen (part E - repeating stories)


U hoort korte verhalen. U moet het verhaal navertellen. (you hearshort stories. you have to repeat the story)U krijgt daarvoor 30 seconden.
Vertel zoveel mogelijk. (you have 30seconds. tell as much as possible)
Denk bijvoorbeeld aan: wie deden er mee, wat gebeurde er,waar was het en hoe liep het af. (think for example: whoparticipated, what happend, where was it and how did it end)

-Vincent wil niet naar school. (vincent dont wanna go to school)

Maar zegt zijn moeder, school is belangrijk als je goed werk wiltvinden of geld wilt verdienen. (but his mother says, school is important if wanna find a good job or if you wanna earn money)

Z'n vader zegt: 'het is toch leuk om al je vriendjes te zien opschool'. (his father says: 'its nice to see all your friends atschool)

Maar Vincent wil geen geld verdienen, en hij heeft niet zoveelvriendjes. (but vincent doesnt wanna earn money, and he doesnt haveso many friends)

Hij gaat naar de haven om naar de boten te kijken. (he goes to the sea port, to watch the boats)

Hij droomt van verre landen. (he is dreaming of distant countries)


-Op het strand staat een harde wind, Henk en Jan zijn aan hetvoetballen, vlakbij ligt een man op het strand te slapen.(on the beach there is heavy wind, Henk and Jan are playing football,near by there is a man sleeping on the beach)

Jan schiet de bal naar Henk, maar door de wind gaat het mis.(Jan shoot the ball to Henk, but because of the wind its going wrong)

De bal komt op het hoofd van de man terecht, de man schrikt wakker en roeptheel boos "Jongens kijk nou toch eens uit !",(The ball comes on the head of the man, the man wake up and says veryangry "Guys, watch out!")

Henk en Jan zeggen "Sorry meneer, het kwam door de wind"(Henk and Jan say "sorry sir, it was because of the wind)

"Oh" zegt de man, "dan is het niet erg, mag ik ook meespelen, ik bennu toch wakker".(oh, the man says, then it's ok, may i play with you, im awake any way)

Dank u voor het bellen, u kunt nu ophangen. (thank you for calling,you can hang up now)